Belichting
Uit Doorgedraaid
Belichting is een essentieel aspect van elke videoproductie.
Inhoud |
Hard en zacht licht
Er worden twee soorten lichtbronnen onderscheiden: harde en zachte. Een harde lichtbron stuurt een bijna evenwijdige stralingsbundel en veroorzaakt een harde schaduw. De meestal zeer compacte lichtbron geeft een goed controleerbare lichtbundel. Een zachte lichtbron daarentege laat het licht verder uiteenwijken waardoor de schaduw zachter zal zijn. Over het algemeen wordt zacht licht gegenereerd door een relatief grote lichtbron.
Van deze verschillen kan handig gebruik gemaakt worden bij de opstelling van de belichting.
| Als hoofdlicht | Als invullicht | |||
| Voordelen | Nadelen | Voordelen | Nadelen | |
| Hard Licht | Geeft een wel-doortekende en scherpe modellering | Modellering kan wreed worden | Lichtuitstraling is controleerbaar | Geeft mogelijk dubbele schaduwen |
| Schaduwwerkend bij weefsel en vormen | Schaduwwerking kan zeer lelijk zijn | Pas effectief over grote afstand | Vernietigd subtiele modellering | |
| Mogelijkheid van lichtvlekken kan snel ontstaan | Het lichtverval is niet zo snel | |||
| Zacht Licht | Geeft goede halftinten (grijzen) en verschillen van gradaties | Onderdrukt modellering bij extreem gebruik | Geeft invulling aan harde schaduwen van hard licht | Geeft vaak teveel hinderlijk strooiend licht |
| Veroorzaakt geen verstrooiing van schaduwen | Vermindert helderheid en levendigheid, maakt vlakke indruk | Maakt geen onechte schaduwen | Groot lichtspreidend vermogen | |
| Benadrukt geen structuur of modellering | Inefficiënte lichtbron voor hoge lichtniveau's | Maakt schaduwen doortekender | Groot lichtverval op afstand | |
De richting van het licht
Behalve de keuze van de lichtbron is ook de richting van het licht van belang. Een goed uitgelichte scène zal bijna altijd een combinatie van harde en zachte lichtbronnen vanuit verschillende richtingen zijn.
Voorlicht
We spreken van voorlicht als de lamp achter de camera hangt en het licht dus direct van voren op het object valt. Een vlakke belichting met weinig schaduwen is hiervan het resultaat.
Zijlicht
Als de armatuur min of meer van opzij op het object is gericht, maar meer van de voorkant dan van de achterkant, dan noemen we dat zijlicht. Er onstaan daardoor schaduwen, er wordt een suggestie van diepte gewekt, oppervlaktestructuren worden zichtbaar en de kleurweergave is optimaal.
Tegenlicht
Wordt de lamp achter het object gehangen en schijnt ze in de richting van de camera, dan heet dat tegenlicht of achterlicht, waardoor een zeer contrastrijk plaatje zal onstaan.
Bovenlicht
Bovenlicht hangt ongeveer recht boven het object en wordt weinig toegepast, omdat de schaduwen er een lelijke richting door krijgen. Er wordt ook diepte gesuggereerd, en bovendien is de kleurweergave niet goed, omdat de loodrechte vlakken daardoor relatief weinig licht krijgen.
Onderlicht
Onderlicht komt zo veel mogelijk van beneden. Het geeft een theatraal, absurd beeld en wordt eigenlijk alleen maar gebruikt voor speciale horror-effecten.
Tips en truuks
Locatie en onderwerp
Bij een opdracht kom je vaak op een totaal onbekende locatie en ben je verplicht een persoon uit te lichten die je nog nooit hebt ontmoet. Vaak heb je maar beperkte tijd om de lichtinstallatie op te stellen vooraleer je onderwerp arriveert. Dan heb je maar enkele momenten de tijd om de verlichting aan te passen aan het onderwerp voor het filmen start. Bijna altijd heb je minder tijd om in te pakken en op te ruimen dan je had bij het uitpakken en opstellen.
Dus de vraag is hoe je het snelst de wensen van je klant kan vatten en tegelijkertijd de onvoorziene problemen onder controle houden. Het eerste wat je te doen staat is op voorhand zoveel mogelijk leren over de ruimte en het onderwerp.
Stel gerichte vragen over je onderwerp: hij of zij, leeftijd, huidskleur, haarkleur, kaal, bril, etc. Zal de persoon blijven zitten tijdens het interview of wandelt hij of zij al pratend rond? Probeer ook zoveel mogelijk informatie te vergaren over het soort shots en de context waarin ze gebruikt zullen worden.
Stel dan vragen over de fysieke locatie: omvang van de kamer, aantal stopcontacten en verdeling zekeringen, ramen, gordijnen, wanneer is er zonlicht in de kamer, aanwezige verlichting (gloeilampen of TL-verlichting), meubilair, kleur en reflectie van de muren, hoogte plafond, etc. Op basis van deze informatie kan je op voorhand al een ruw beeld van de situatie maken. Let wel, plannen zijn steeds onderhevig aan verandering en beschouw ze dus nooit als in steen gebeiteld, maar eerder als een startpunt. Met een beetje ervaring heb je zo al gauw 75% van je beslissingen gemaakt en kan je ter plaatse richten op de 25% aan openstaande vragen.
